Dans en Gitanos

Flamenco: De Kunst Van Het Lijden

Flamenco: De Kunst Van Het Lijden

Karel de Vijfde, zoon van de Habsburgse prins Philips de Schone en de Spaanse Prinses Juana la Loca (Johanna de Dwaze), vertrok in 1522 vanuit Gent naar Spanje. In zijn gevolg nagenoeg het gehele Vlaamse hof want hij vreesde de heimwee. Tezelfdertijd arriveerden grote groepen zigeuners op het Iberisch schiereiland en de Spanjaarden hebben deze toevallige samenloop nooit helemaal goed begrepen. Want sindsdien heeft men de zigeuners onder de Flamenco's, de Vlamingen, geschaard.


Gitanos

Het Spaanse woord voor zigeuner is Gitano, waarvan wordt aangenomen dat het afkomstig is van 'Egipciano': Egyptenaar. Het was kennelijk niet geheel duidelijk waar ze vandaan kwamen. Tegenwoordig is evenwel algemeen bekend dat de oorsprong van de zigeuners in India is gelegen, alwaar ze tot de allerlaagste kaste behoorden en als paria's werden behandeld. Ontevreden over dit bestaan besloten ze elders hun geluk te beproeven en aangenomen wordt dat de grote Exodus zo rond het jaar 1000 plaats vond. Hun tochten voerden door geheel Azie naar Noord-Afrika en langzamerhand ook naar Europa. Geschat wordt dat er rond de zestiende eeuw een kleine tweehonderduizend zigeuners de Pyreneeen overtrokken, teneinde zich uiteindelijk vooral in Andalusie te vestigen.

Smeltkroes

Voorafgaand evenwel aan deze immigratie was Spanje reeds ruimschoots onderhevig geweest aan alle mogelijke invloeden van buitenaf. Al vanaf 1000 voor Christus waren het de Phoeniciers en de Joden die handel kwamen drijven en de Straat door wilden. De Phoeniciers stichtten Gadir, nu Cadiz, en trokken verder. Onder hun handelswaren bevonden zich tevens muziekinstrumenten uit het land van Tyrus en Sidon. De Joden vestigden zich echter en waren voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor de voorspoed die het land lange tijd doormaakte.

Daarna, rond 500 voor Christus kwamen de Grieken die tot diep in het binnenland kolonies stichten. Op de potten en pannen, reliefs en andere schilderingen die later uit die tijd werden herontdekt vinden we beeltenissen van danseressen wier houding reeds de karakteristieken van de huidige Spaanse dansvormen verraadt. De Grieken ook brachten de castagnetten mee die in die tijd de voornaamste begeleiding van deze dansen vormden, samen met handgeklap en geschreeuw.

Hierna was het de beurt aan de Romeinen, die, in de zeshonderd jaar van hun keizerrijk, Spanje tot hun belangrijkste vazalstaat maakten. De verbrokkeling van Rome in de vijfde eeuw bood evenwel ruimte voor een invasie van de Visigothen, een nogal barbaars volk dat eigenlijk alleen maar van vechten hield, wat, voornamelijk in het Noorden, dansen met zwaarden en oorlog-simulaties heeft opgeleverd.

Heilige Oorlog

De belangrijkste invasie evenwel was die van de Moren, die in 711 in de vorm van een Heilige Oorlog uit de lucht kwam vallen en vijf jaar later was voltooid. Cordoba en Sevilla werden de belangrijkste centra van hun cultuur waar nu Joden, Arabieren, Berbers en Moren vrij prettig samenleefden met de oorspronkelijke Andalusiers. De Moren hadden een instrument, een soort vier-snarige luit meegebracht. Muzikaal gezien leverde dit een grote hoeveelheid bijzonder uiteenlopende informatie op. Liturgische zangen uit de synagoge en gebeden van de moslims, Griekse en Byzantijnse liedjes, melodietjes en ritmes uit India, Perzie, Irak en Noord-Afrika verzamelden zich allemaal in Andalusie.

De Mooese overheersing zou voortduren tot in de dertiende eeuw en pas ongedaan gemaakt worden door de Inquisitie. De wortels van de Flamenco kunnen dan ook worden gezocht in de rijke smeltkroes van liturgische en wereldlijke muziek die de zigeuners in Andalusie aantroffen toen zij zich hier in de vijftiende en zestiende eeuw besloten te vestigen.

Paria's

Ben je voor een peseta geboren dan word je nooit een duro. Dat gold ook voor de gitano. Hoever ze ook van de rivier de Indus, in welke ze zich eens droefgeestig hadden gebaad, verwijderd raakten, nergens lukte het hen een hogere status te verwerven dan die van paria. Wat ze in Andalusie overigens gemeen bleken te hebben met veel oorspronkelijke bewoners en de Moriscos, de door de Inquisitie gekerstende Moren. De daaruit voortvloeiende onderlinge solidariteit betekende ook een vermenging van hun muziek die dan ook 'gitano-anadaluz' werd genoemd.

Toch waren het de zigeuners die het meest leden onder de repressie van de heersende klasse. De klaagzangen die daarvan het gevolg waren, en die ze met een welhaast therapeutisch doel uitsluitend voor zichzelf zongen, kunnen worden beschouwd als de direkte voorlopers van 'el cante flamenco', het flamenco-lied.

Het wantrouwen wat ze overal om zich heen ontmoeten deed hen zich meer en meer verlaten op de familie en de groep waartoe ze behoorden. Buitenstaanders werden niet toegelaten wat betekende dat 'el cante flamenco' slechts door zigeuners werd gezongen en gehoord en dus uitsluitend door hen werd ontwikkeld. Geen wonder dat het grootste 'barrio gitano' (zigeunerwijk), de wijk Triana in Sevilla, welke stad gedurende de 18e en 19e eeuw toch al het centrum was van Andalusische zang en dans, een belangrijke plaats innam in de ontwikkeling van de kunst van de flamenco.

Duende

Het centrale begrip in de flamenco is 'duende'. Is dit in de vertolking afwezig dan keert de 'aficionado', dat is degene die ingewijd is in de geheimen van de flamenco, zich af. Federico Garcia Lorca beschrijft een tafereel in een klein cafe in Cadiz waar de destijds beroemde Pastora Pavon, La Nina de los Peines (het meisje met de kammen), optreedt. Na haar eerste liederen, waarin ze de uiteinden van haar stem verkent en zingt met alle techniese middelen die ze heeft, blijft het stil. Geen reaktie. Op een mannetje na die zachtjes 'Viva Paris!' voor zich uit bromt, als wilde hij zeggen: 'Hier zijn we niet geinteresseerd in vaardigheid, techniek, kundigheid. Hier komen we voor wat anders'. Als door een wesp gestoken staat La Nina de los Peines weer op, ledigt een flink glas brandy en begint opnieuw te zingen. Nu evenwel met verscheurde en af en toe verstikte stem, zonder adem, zonder kleur. Ze berooft zichzelf van al haar techniek teneinde ruimte te bieden aan de 'duende', die welhaast magische kracht die niet in je keel zit maar vanuit je tenen omhoog klimt. De kracht van waarheid, bloed en pijn, van een oude cultuur, de kracht van de spontane creatie, die bij vertolker en publiek een gemeenschappelijke, als welhaast in trance beleefde emotionele ervaring teweegbrengt.

Flamenco Puro

Het is de geslotenheid van de zigeunercultuur en het in essentie introverte karakter van 'el cante flamenco' die een zeer bijzondere vorm van flamenco heeft voortgebracht, de 'flamenco puro'. Een vorm die evenwel uitsluitend kan bestaan wanneer alle omstandigheden optimaal zijn. En dat sluit bezoekers van 'buitenaf' uit. De flamenco-artiest krijgt pas de mogelijkheid zichzelf te overtreffen, de 'duende' te laten vloeien, wanneer de opvoering plaats vindt in een kleine, intieme gelegenheid waarbij het publiek bestaat uit louter 'aficionados', in de meeste gevallen familie en nabije vrienden.
De rol van het publiek is van groot belang. De vertolker krijgt een bijzondere steun van de aandacht en de concentratie van het publiek die de uitvoering tot grote hoogten kan brengen middels 'palmas', ritmies handgeklap, 'pitos', knippen met de vingers en 'jaleos', enthousiasmerende uitroepen. Elk van deze uitingen vereisen een bijzondere techniek en een goed beoordelingsvermogen. Valt het verkeerd dan kan het 't einde betekenen van de voorstelling. Slechts de Gitanos beheersen dit tot in de perfektie. Wat tevens inhoudt dat niemand buiten hun eigen kring, ook de Spanjaarden niet, in staat zijn de Flamenco Puro volledig te doorgronden.

Tablaos flamencos en export flamenco

In de grotere steden, met name in het al genoemde Triana in Sevilla, ontstonden in de jaren vijftig evenwel clubs met een toneeltje waar flamenco artiesten gecontracteerd werden. Niemand zal beweren dat hier ooit het niveau van de flamenco puro kan worden benaderd, daarvoor ontbreekt de 'duende', toch is dit voor buitenstaanders de beste mogelijkheid van hele bijzondere uitvoeringen te genieten.

Een derde bestaansvorm ontwikkelde zich onder invloed van het na de tweede wereldoorlog snel opkomende tourisme. Flamenco, in wezen een individuele kunstvorm, een solistiese vertolking, wordt in groepen zangers, dansers en gitaristen ten gehore gebracht in de vele touristenoorden aan de kust en via tournees naar het buitenland. Vaak is hier sprake van een technies bijzondere hoge kwaliteit die evenwel voor kenners en 'aficionados' te mechanisch en gekunsteld is.

Wat niet wegneemt dat deze groepen een bijzonder goede gelegenheid bieden voor een eerste kennismaking en voor een belangrijk deel verantwoordelijk zijn geweest voor de brede belangstelling die er nu bestaat voor de flamenco. Want overal zitten de zalen vol.

Penas Flamencas

Tot in Japan zijn er enthousiaste beoefenaren en wordt er door Spaanse kunstenaars les gegeven. In Rotterdam heeft het conservatorium Paco Pena aan zich weten te binden. Wiens naam eventueel valt te verklaren uit de 'penas flamencas', associaties van flamenco-enthousiastelingen die cursussen geven en presentaties verzorgen.
De Flamenco Puro zullen we (buitenstaanders die we zijn) nooit te horen krijgen. Als nieuwe kunstvorm, bestaande uit zang: 'el cante', dans: 'el baile' en gitaarspel: 'el toque', heeft de flamenco zich evenwel stevig gevestigd in de belangstelling van vele liefhebbers en beoefenaren over de gehele wereld.
© 2008 - 2010 Daddycool, gepubliceerd in Dans (Muziek en Film) op 29-09-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Daddycool is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Flamenco: De Kunst Van Het Lijden"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.