Geluidsfilm en Warner Bros

Geluid en kleur in de film

Geluid en kleur in de film

Hoewel men 1927 opgeeft als het traditionele beginjaar van de 'sprekende' film, kwam het geluid niet opeens als een verrassing voor het niets vermoedende publiek. Al voor 1900, toen Thomas Edison en William Dickson de fonograaf verbonden aan de cinetoscoop voor één van hun eerste films, was dit een sprekende film. In dit artikel zien we dat door de uitvinding van de radio het verzet van de filmindustrie tegen de geluidsfilm uiteindelijk werd opgegeven. Ook experimenten met kleur werden verfijnd.


De ontwikkeling van de geluidsfilm

De eerste geluiden bij de films van Edison waren vastgelegd op platen en gecoördineerd met de gefilmde actie. In ongeveer dezelfde tijd ontwikkelde de Fransman Léon Gaumont zelfstandig een soortgelijke techniek, maar zijn proces leverde, evenals dat van Edison, een te zwak geluid, dat niet verder dan op de eerste rijen van de schouwburg te horen was. Kort na 1920 ontwierp Lee De Forest een proces waarbij het geluid direct op de film werd gedrukt, dat hij in alle mogelijke theaters presenteerde, maar ook dit sloeg niet aan bij de filmindustrie. In de periode van de stomme film hadden de bioscopen orkesten, kleine groepen instrumentalisten of althans een piano of een orgel om de films muzikaal te begeleiden. Theaterdirecteuren beseften al gauw dat het publiek niet in een absolute stilte kon blijven zitten. De muziek had bovendien een tweeledig doel. In de eerste plaats de sfeer en de stemming van de handeling te accentueren en ten tweede de hinderlijke geluiden van de gonzende projectors te dempen.

Warner Brothers

De invoering van het geluid werd ten slotte verhaast door een crisis in de filmindustrie. Het publiek bleef op grote schaal weg, in de ban van een nieuw geluidsmedium, de radio. Maar de filmmaatschappijen waren volstrekt niet overtuigd dat de geluidsfilm het antwoord was op hun dilemma en enige tijd lang waren er velen die zich verzetten. Alleen Warner Brothers (van de vier broers Harry, Sam, Albert en Jack Warner) die in financiële moeilijkheden verkeerden en niets hadden te verliezen, waagden de stap. In 1925 namen ze Vitafoon over van de Western Electric Company, een proces waarbij men weer gebruik maakte van grammofoonplaten. Hun eerste film met de Vitafoon was 'Don Juan' met John Barrymore in de hoofdrol. In 1927 voerde William Fox de Movietone Newsreel in het journaal in, waarbij het geluid op de film werd gedrukt. Het had gelijk succes, maar het bleef een bijkomstige attractie. Ten slotte verscheen in oktober van dat jaar een film die een revolutie zou betekenen in de industrie, ook uitgebracht door Warner Brothers: The Jazz Singer met Al Jolson, een zwart geschminkte blanke zanger/acteur, in de hoofdrol. Het was eigenlijk een stomme film, waarin Jolson een paar regels zong en sprak. Jolson biologeerde in elk geval het publiek en de geluidsfilm was 'in'. Het jaar daarop verscheen de eerste lange, geheel sprekende film 'The Lights of New York'.

Filmbeeld ondergeschikt aan geluid

Toen kwam er merkwaardig genoeg een periode dat het geluid belangrijker werd dan het beeld. Het was echt een nieuwtje dat men uitbuitte. Filmmaatschappijen kamden de theaters uit om acteurs te vinden met geschoolde stemmen. Spelers met een accent of met spraakgebreken kon men niet meer gebruiken. Ook toneelschrijvers werden aangezocht: die konden een dialoog schrijven. Opnieuw werden de vertoningen verfilmde toneelstukken. De camera verloor haar flexibiliteit. Ze moest opereren in een geluidsdichte ruimte, zodat de microfoons geen geluiden konden opvangen van snorrende wielen. En de acteurs konden nauwelijks acteren: ze moesten vlakbij de microfoons blijven staan, die in lampen, onder tafels en achter stoelen verborgen waren. Op den duur kwamen natuurlijk creatieve regisseurs in verzet tegen de hernieuwde onbeweeglijkheid van de camera, die het geluid vereiste. Mannen als Ernst Lubitsch in de VS en René Clair in Frankrijk beseften dat het geluid hun ten dienste kon zijn als het werd geselecteerd en gepresenteerd zoals men ook met de beelden deed.

Kleurontwikkeling in de film

In dezelfde tijd dat men het geluid ging toepassen werden er ook kleurprocessen ontwikkeld. Evenals met geluid experimenteerden sommige filmmakers al vanaf het begin af met kleur. George Méliès maakte films waarvoor hij ieder beeld met de hand kleurde. Een Engelse film over koning George V in Indië werd al in 1911 in kleur opgenomen. Maar op initiatief van Herbert T. Kalmus en de Technicolor Motion Picture Corporation die hij oprichtte, werd de kleur een commerciële realiteit. Kalmus begon proeven te nemen in 1918 en had in 1923 een twee-kleuren-procédé gereed. Maar de kleuren waren slechts bij benadering juist en de nieuwe methode vond weinig sympathie bij het publiek. Kalmus bleef zijn methode verfijnen, totdat aan het eind van de 20-er jaren de kleuren zuiverder waren en de filmproducenten taferelen in kleur begonnen in te lassen. Ten slotte verscheen in 1935 de eerste geluidsfilm in kleur, Becky Sharp, naar Thackerays Vanity Fair (Kermis der IJdelheid). Sindsdien zijn de fotografische procédé's steeds verbeterd en geperfectioneerd. Pas na de Tweede Wereldoorlog werden kleurenfilms algemeen. Tegenwoordig vinden wij natuurgetrouwe kleurweergave een vanzelfsprekende zaak. De kleur wordt in de meeste films overigens niet functioneel gebruikt; daarvan is sprake als de kleur wordt aangewend als een apart filmisch uitdrukkingsmiddel. Andere technische verbeteringen zijn het veel toegepaste breedbeeldsysteem, het cineramaprocédé en het stereogeluid.

Nasynchronisatie

Vaak worden films in andere talen nagesynchroniseerd, dat wil zeggen: de dialoog wordt in de taal van het land op het geluidsspoor ingesproken door acteurs uit het betreffende land. Een nadeel is dat de lipbewegingen van de filmspelers en de gesproken woorden niet meer met elkaar kloppen. Het wegvallen van de vreemde taal kan ook sfeerverlies betekenen.
Duitsland koos b.v. na 1945 voor dit systeem, omdat filmbezoekers het meelezen van de dialoog via ondertiteling vervelend vonden. Het is weliswaar kostbaarder, maar onze oosterburen gebruiken de nasynchronisatie nog steeds, ook in tv-films en -series. Het nadeel valt b.v. bij Britse comedies op, waarbij het effect van typische Engelse uitdrukkingen wegvalt. Ook een sheriff of cowboy in vroeger populaire westerns Duits horen spreken komt niet realistisch over. Frankrijk hanteert ook het systeem van nasynchronisatie. Dat vindt zijn oorsprong in hun nogal patriottische houding t.a.v. hun taal. Het Nederlandse systeem van oorspronkelijke geluidsband en ingecopieerde ondertitels is zo slecht nog niet.
© 2008 Staal, gepubliceerd in Film en Video (Muziek en Film) op 22-01-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Staal is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Geluid en kleur in de film"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.