Televisie en Televisie

Problemen met vermaaksprogramma's op de publieke omroep

Problemen met vermaaksprogramma's op de publieke omroep

In dit essay zal ik ingaan op de verschillende manieren waarop de publieke omroep zich, met het oog op kwaliteit, op een betere manier zou kunnen gaan profileren in het Nederlandse omroepbestel. Hier is in de loop der jaren erg veel discussie over ontstaan, vooral ook op politiek gebied.


De publieke omroepen lijken een belangrijk gedeelte van hun vaste trouwe aanhang kwijt te raken. Dit komt omdat deze publieke omroepen dreigen te verdrinken in het massale aanbod van zenders en programmaformats, die de laatste jaren beschikbaar zijn geworden. Nu is het natuurlijk lastig om iedereen tevreden te stellen. Aan de ene kant moeten de publieke omroepen hun leden bedienen, terwijl ze aan de andere kant een afspiegeling moeten vormen van de gehele gemeenschap. Er bestaat hier dus een tweestrijd van belangen. Harm Bruins Slot, voorzitter van de Raad van Bestuur van de NOS, spreekt hier van een hybride besturing van de publieke omroep. Bovendien wordt het Nederlandse medialandschap nog complexer door de toename van technologische ontwikkelingen, waardoor men in de toekomst een andere rol van de publieke omroep voorziet. En natuurlijk is daar nog de concurrerende druk van commerciële bedrijven, die een verlies aan kijkers ten gevolge hebben. Er is al verschillende malen kritiek geleverd op de wijze waarop de publieke omroepen zich hebben georganiseerd, waarbij het dan vooral ging om de inhoud van de programma’s. Deze kritiek was afkomstig vanuit verschillende posities. Belangrijke trends zouden verkeerd worden ingeschat, men heeft te vaak kopieergedrag vertoond en succesvolle formules worden in te lange series uitgezonden, waardoor zij vaak sneller dan nodig aan hun einde komen. Nu is het natuurlijk zo dat de publieke omroep programmeert vanuit een door de overheid ingesteld maatschappelijk doel, waardoor men bepaalde beperkingen heeft. Maar desondanks zal dit doel natuurlijk wel zoveel mogelijk moeten aansluiten met de behoeften van het publiek.

In dit essay zal ik ingaan op de verschillende manieren waarop de publieke omroep zich, met het oog op kwaliteit, op een betere manier zou kunnen gaan profileren in het Nederlandse omroepbestel. Hier is in de loop der jaren erg veel discussie over ontstaan, vooral ook op politiek gebied. Ik zal me dus richten op die verschillende debatten tussen de verschillende politieke partijen, die gericht zijn op de herindeling van de publieke omroep, waarbij ik ook zal letten op de belangen van de verschillende betrokken partijen. Want juist door te debatteren en te discussiëren kan de publieke omroep zich op een gewenste manier aanpassen aan de behoeften van de maatschappij. Maar alvorens daaraan toe te komen zal ik in de eerste paragraaf eerst kort de ontwikkeling evenals de organisatie van de publieke omroep bespreken. Dit is nodig om een algemene indruk van de publieke omroep te verkrijgen. Ik zal dit kort uiteenzetten tegenover de commerciële omroepen om zo enkele onderlinge verschillen te achterhalen. Vervolgens zal ik ingaan op de technologische ontwikkelingen die het medialandschap in de toekomst ingrijpend kunnen veranderen. Tot slot bespreek ik de verschillende debatten met achterliggende posities, die plaats hebben gevonden rondom de publieke omroep, waarbij ik de nadruk zal leggen op de veelbesproken vermaakscategorie. En aan de vermaakscategorie zal ik ook het veelbesproken kwaliteitsbegrip koppelen, want ook hierover is in de loop der jaren veel discussie ontstaan. Maar nu zal ik, zoals gezegd, eerst een inleiding van het Nederlands medialandschap schetsen.

Ontwikkeling en organisatie van de publieke omroep

Een publieke omroep is een omroep die het algemeen nut zou moeten nastreven, waarbij de omroep een ideëel doel in plaats van een commercieel doel heeft. Men is niet uit op winst, zoals dat bij commerciële omroepen wel het geval is. Hier ligt dan ook een belangrijk verschil in besloten. Gerard Hulshof, de eerste netmanager van Nederland 1, formuleerde het verschil tussen publieke en commerciële omroepen op een kernachtige wijze; ‘publieke omroepen maken programma’s voor burgers en commerciële zenders maken programma’s voor klanten, hun adverteerders’. Vaak krijgen de publieke omroepen een taak opgelegd van de overheid om bepaalde programmaformats te ontwikkelen die passen in de visie die de overheid voor ogen heeft. De overheid stelt zendtijd ter beschikking aan onafhankelijke omroepverenigingen, zoals de AVRO (Algemene Vereniging voor Radio Omroep), de NCRV (Nederlands Christelijke Radio Vereniging) en de VARA (Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs), waarbij de hoeveelheid zendtijd afhangt van het aantal leden. De publieke omroepen worden gefinancierd uit de omroepbijdragen en de reclame-inkomsten van de STER (Stichting Ether Reclame). De STER is in 1965 opgericht en heeft sindsdien als doel gehad bedrijven de mogelijkheid te bieden te adverteren op de landelijke televisie. Over het algemeen besteden de publieke omroepen meer tijd aan zaken als kunst, actualiteiten en cultuur. Zo behoort het verzorgen van programma’s met een educatief karakter, volgens de Commissie Publieke Omroep, tot één van de belangrijkste taken van de publieke omroep. Hier tegenover staan de commerciële omroepen met hun programmeringen die in de regel meer gericht zijn op zaken als amusement, films en sport.

De Nederlandse televisie bestaat sinds 1951. Voor die tijd bestond er al een radio-omroepbestel, dat verdeeld was over vijf omroepverenigingen: de AVRO, de KRO (Katholieke Radio Omroep), de NCRV, de VARA en de VPRO (Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep). Met de opkomst van televisie in 1951 bleven deze omroepen gewoon bestaan. De omroepverenigingen breidden hun werkgebied uit van radio tot televisie. Elke individuele omroep vertegenwoordigde een bepaalde bevolkingsgroep met de daarbij behorende idealen. De overheid stelde echter, naast de afzonderlijke uitzendingen, ook een eis tot samenwerking. In 1951 verenigden de omroepen zich daarom in de NTS (Nederlandse Televisie Stichting). In de NTS gingen de omroepen samenwerken om zo de zendtijd te verdelen, de uitzendingen te coördineren en de middelen te delen. Later zou deze omroep samen met de NRU (Nederlandse Radio Unie) overgaan in de NOS (Nederlandse Omroep Stichting).

In de beginjaren van de televisie was de grip vanuit de overheid op het programma-aanbod zeer groot. In 1967 maakte de overheid door middel van de omroepwet ruimte voor een open bestel, waarbij nieuwe omroepen naast de reeds bestaande omroepen konden uitzenden. De omroepen kozen voor een meer populaire programmering die bestond uit veel series, films en amusement. Daarnaast probeerde men een populaire aanpak te realiseren door zware onderwerpen af te wisselen met ‘lichte’. Het doel was om het merendeel van de programma’s zo licht verteerbaar te maken dat ze een groot publiek zouden boeien. Dit was nodig, aangezien mensen steeds minder vasthielden aan omroepen van hun eigen zuil. In 1991 ontstond in Nederland officieel het duale bestel, hetgeen er voor zorgde dat er meerdere commerciële zenders nu via de kabel mochten worden doorgegeven. In 2000 is de concessiewet tot stand gekomen, welke voorziet in een verbetering van de slagkracht van de publieke omroep. De NOS is toen als enige concessiehouder ingesteld om toezicht te houden op alle zendgemachtigden van de publieke omroepen. Hierbij werd bekeken of zij voldeden aan de gestelde taakopdracht; het verzorgen van een kwalitatief hoogwaardig en gevarieerd programma-aanbod dat naast een breed publiek ook specifieke publieksgroepen binnen de Nederlandse bevolking wist te bereiken. De overheid had als uitgangspunt een divers en pluriform media-aanbod te willen verzorgen dat onafhankelijk, kwalitatief hoogstaand en bovendien toegankelijk zou zijn.

Technologische ontwikkelingen

Uit het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) blijkt dat men het mediabeleid niet langer wil richten op de afzonderlijke media, zoals internet, omroep en pers. In de toekomst moet het gaan om de manier waarop het gehele medialandschap de bevolking van publieke functies als opinievorming, nieuwsvoorziening en cultuur voorziet. Het zou meer om de functies van de media moeten gaan, vandaar de titel van het rapport, ‘focus op functies’. Nu is dat nog specifiek een doel van de publieke omroep. In de toekomst zouden ook commerciële mediavormen publieke functies kunnen en moeten overnemen. In dit proces is het dus niet alleen de publieke omroep meer die zich hier mee bezig houdt. Dit proces wordt distributed public service genoemd en begint in geheel Europa in theorie steeds meer vorm te krijgen, terwijl het in de praktijk vooralsnog uit blijft. Door hier als eerste mee van start te gaan zou het Nederlandse televisiebestel dus toonaangevend kunnen worden in Europa. Maar ondanks dat dit proces nog niet in de praktijk is gebracht, wordt er hoe dan ook steeds vaker gesproken over commercialisering en internationalisering van de mediawereld.

Maar er is in dit opzicht ook nog sprake van een ander belangrijk proces, namelijk de ontwikkeling van (digitale) technieken, die het mogelijk maken het huidige omroepbestel ingrijpend te veranderen. Dit proces is natuurlijk al van start gegaan. De nieuwe media nemen immers steeds vaker de taken over van de traditionele mediavormen. Ontwikkelingen als mobiele telefonie, internet en digitale televisie zorgen onherroepelijk voor een geheel nieuwe mediawereld. Zowel institutioneel als individueel. Op nagenoeg iedere mobiele telefoon is tegenwoordig wel een digitale camera aanwezig, waardoor iedereen in staat is nieuwsbeelden te genereren. Denk maar eens aan de enorme hoeveelheid aan amateurbeelden die opdoken na de aanslagen in New York (11-09-2001) en na de tsunami-ramp in Azië (26-12-2004). Iedereen kan op ieder willekeurig moment nieuwsbeelden schieten, die in sommige gevallen ook daadwerkelijk door de omroepen gebruikt worden in hun programma’s. De enorme hoeveelheid aan nieuwsmateriaal gaat vervolgens ook de inhoud en wellicht ook de kwaliteit van de nieuwsprogramma’s bepalen. Er is immers volop keuze uit een ruime selectie, hetgeen programmamakers in een uitermate gunstige positie plaatst. Volgens Christine Geraghty is het kwaliteitsbegrip dan ook een factor binnen discussies rondom beleidsbepalingen en subsidies.

Ook het aantal televisiekanalen dat we kunnen ontvangen is de afgelopen jaren explosief toegenomen en die toename is nog steeds gaande. Zo was er in de beginjaren van de televisie nog maar sprake van twee zenders, terwijl dit aantal vanaf 1988, toen de derde publieke zender de lucht in ging, snel toenam met commerciële zenders als RTL4, RTL5, SBS6 en Veronica. Daarbij komen ook nog eens de vele buitenlandse zenders, die we via de kabel of satelliet in onze huiskamers kunnen krijgen. Afstand speelt geen rol meer. Ziehier het eerder aangehaalde proces van internationalisering van de mediawereld. We kunnen via de satelliet, maar inmiddels ook via internet zelfs televisiezenders als Real Madrid TV ontvangen. Ook het onderscheid tussen de verschillende distributiekanalen zal door de komst van het internet en de digitalisering komen te vervagen.

Wat we ons moeten afvragen is welke rol de publieke omroep in zo’n televisielandschap zou moeten gaan spelen. Natuurlijk spelen er, naast de technologische ontwikkelingen, ook tal van andere zaken mee in het ontwikkelen van een mediabeleid. Denk maar eens aan economische en sociaal-culturele factoren. Maar daar zal ik in dit essay niet verder op ingaan. Dat is ook niet nodig. Het is echter wel belangrijk voor het vervolg van dit essay dat ik kort heb aangegeven dat de technologie zorgt voor onzekerheden in het bepalen van een mediabeleid dat cruciaal is voor een periode van zo’n vijf à tien jaar. Natuurlijk is het in een later stadium alsnog mogelijk om wijzigingen door te voeren, maar het is belangrijk om bij voorbaat zoveel mogelijk duidelijkheid te krijgen over de toekomst van de media. In het volgende zullen we, aan de hand van verschillende debatten, die specifiek gaan over vermaaksprogramma’s, dan ook zien dat het niet eenvoudig is een positie in te nemen in een kwestie die vooralsnog relatief onduidelijk en onbekend is. Ingenomen posities kunnen betrekkelijk eenvoudig worden gerelativeerd met dezelfde onduidelijke verklaringen en motieven, die in eerste instantie voor een bepaalde ingenomen positie hebben gezorgd. Maar uiteindelijk zal het duidelijk worden dat men, juist door over onduidelijke zaken te debatteren, veel meer duidelijkheid kan krijgen. Debat is dus een cruciaal onderdeel van onze democratie.

Kwaliteit in televisieprogramma’s

Kwaliteit is een veelbesproken onderwerp in televisiestudies. Maar ook op politiek gebied wordt er veel over gediscussieerd. Het gaat hier dan in het bijzonder over de kwaliteit van televisieprogramma’s op de publieke omroep. Want; ‘het navelstarende Hilversum zou zich eens zorgen moeten gaan maken om het nog te veel hoorbare en zichtbare gebrek aan kwaliteit’. De kwaliteit van publieke televisie is achteruit gegaan doordat commerciële televisie dominant is geworden, zo wordt er gezegd. Hieruit volgt dat ook de publieke omroepen langzaam maar zeker onderworpen worden aan de regels van de commercie. Kijkcijfers hebben een duidelijke invloed op de keuze van onderwerpen en invalshoeken. ‘In de huidige praktijk van de publieke omroep zijn kijkcijfers weliswaar makkelijk te meten, maar het is maar zeer de vraag of het halen van hoge kijkcijfers niet ten koste gaat van bijvoorbeeld pluriformiteit of kwaliteit’, aldus het Centraal Plan Bureau. De kwaliteit van de publieke omroep wordt niet gemeten in zaken als kijkcijfers of STER-inkomsten, maar eerder in waarderingcijfers, doelgroep-bereikcijfers, dalende of juist stijgende ledenaantallen van omroepverenigingen en de daarbij behorende feedback.

Uit de debatten blijkt dat iedereen wel een mening heeft over het kwaliteitsbegrip. Volgens de één is de kwaliteit van de programma’s op de publieke omroep achteruit gegaan, volgens de ander valt het allemaal nog wel mee en mogen we best trots zijn op ons publieke bestel. De meningen hierover zijn verdeeld. Maar wat het kwaliteitsbegrip nu precies inhoudt is nog niet helemaal duidelijk. Volgens Geoff Mulgan is de discussie rond kwaliteit een ‘battleground of opinions and arguments’. Door over kwaliteit te debatteren kunnen uiteindelijk theorieën over kwaliteit ontwikkeld worden, stelt hij. De meningen van de kijkers zijn hier zeer belangrijke graadmeters. ‘Het grappige van kwaliteit is dat we eigenlijk niet weten wat het is’, aldus Jan van Cuilenburg, hoogleraar Communicatiewetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Wel stelt hij dat we het, wanneer we over kwaliteit spreken, erg veel met elkaar eens zullen zijn, zeker wanneer het gaat over zaken als objectiviteit, hoor en wederhoor, nauwkeurigheid, relevantie en openheid, allemaal zaken die we met kwaliteitstelevisie associëren. Het WRR-rapport stelt dat iedere functie door aparte kwaliteitscriteria moeten worden beoordeeld. Verschillende functies worden immers verschillend gewaardeerd, niet iedere functie bevat dezelfde waarden. ‘Each view of purpose brings with it different conceptions of quality’. Het is dus erg lastig om een positie in te nemen in het debat rondom kwaliteit. Volgens velen vormt het nieuws, samen met de achtergrondrubrieken, de kern van de kwaliteitstoets door de kijkers. Dit zijn de categorieën die vaak aangehaald worden, wanneer we spreken over kwalitatieve televisieprogramma’s. Het gegeven dat het NOS acht uur journaal voor veel mensen heilig is, is hier een voorbeeld van. Bovendien is uit zeer recentelijk onderzoek gebleken dat 68% van de Nederlandse bevolking het NOS journaal het beste en meest objectieve nieuwsprogramma vindt. Bij jongeren tot dertig jaar lag dit percentage zelfs op 70%. Objectiviteit wordt dus belangrijk gevonden. Voor de vermaakscategorie, die ik in de volgende paragraaf verder zal uitwerken, gelden weer totaal andere waarden. Hier wordt de kwaliteit beoordeeld via het marktmechanisme; dat wat de mensen willen zien geldt als kwaliteit. En dat wat niet bekeken wordt zal onherroepelijk verdwijnen. De waarden die gelden voor een programma als het journaal, zijn hier dus niet op van toepassing.

Debatten over de toekomst van de media

In reactie op het rapport van de WRR heeft staatssecretaris van mediazaken Medy van der Laan gezegd dat de publieke omroep herkenbaarder en voorspelbaarder moet worden. Dit betekent dat men bij voorbaat al moet weten welke programma’s men zou kunnen verwachten bij inschakeling op de publieke netten. In 2008 zouden de veranderingen en ontwikkelingen in de praktijk moeten worden gebracht, sinds de lopende afspraken in dat jaar aflopen. De omroepen moeten weer programma’s gaan maken die aansluiten bij hun achterban. Het gaat hier dan in het bijzonder om opiniërende programma’s. Hierdoor zouden de publieke netten zich kunnen onderscheiden van het alsmaar groeiende aanbod van zowel radio- als televisiezenders.

Volgens de WRR is het belangrijk dat de hoeveelheid aan amusement minder zou moeten gaan worden dan nu het geval is. Amusement is een categorie die in de historie meer behoort bij de commerciële omroepen dan bij de publieke omroepen, zo blijkt immers uit een eerder historisch onderzoek naar genreverschuivingen op de Nederlandse televisie. Maar of dat nu moet betekenen dat de vermaakscategorie, en alles dat hier bij komt kijken, nu compleet van de publieke omroep moet verdwijnen, is nog maar de vraag. Want vermaak als genre helpt mee om andere functies te realiseren. En naast vermaak zouden ook de reclameboodschappen aan andere zenders kunnen worden overgelaten. Maar hierover bestaan natuurlijk onderlinge meningsverschillen.

Zo vindt kamerlid Atsma van de CDA dat de publieke omroepen gewoon vermaak moeten blijven bieden. Ook merkt hij hierbij op dat, wanneer men de reclameboodschappen laat verdwijnen op de publieke omroep, dat dit jaarlijks zo’n 200 miljoen euro aan inkomsten scheelt. Niet geheel onbelangrijk dus. Volgens de WRR zal de publieke omroep enkel en alleen nog zaken als goede, onafhankelijke nieuwsvoorziening en achtergrondinformatie, aangevuld met kunst en cultuur mogen uitzenden. Zoals gezegd is Atsma het hier niet mee eens, terwijl kamerlid Örgü van de VVD dit standpunt juist steunt. ‘We moeten ervan af met gemeenschapsgeld programma’s uit te zenden waar de commerciële zenders ook interesse in hebben.’ Zaken als spelletjes en voetbalwedstrijden, waarvan de uitzendrechten jaarlijks vele miljoenen euro’s kosten, moeten plaatsmaken voor bijzondere programma’s met een informatief en educatief karakter, conform het oorspronkelijke doel van de publieke omroep. Zij stelt dat het tekort aan netto inkomsten door het verdwijnen van de reclameboodschappen moet worden opgevangen door de zender Nederland 3 op te heffen. Ook D66 is het eens met de stelling dat de publieke omroepen niet moeten concurreren met de commerciële omroepen, maar dat men zich juist bezig moet gaan houden met het produceren van kwalitatief goede programma’s. De omroepen steunen de hoofdgedachte van het WRR-rapport; dat men zich moet gaan concentreren op maatschappelijke functies. Maar zij vrezen wel dat het aanbod van functies te versnipperd raakt, zodat iedere burger op een individuele wijze zijn informatievoorziening moet regelen. En juist dat ligt niet in het idee van de publieke omroep, die juist gezamenlijke ervaringen en binding voor ogen heeft. En met een versnipperd aanbod is dit niet mogelijk.

Medy van der Laan maakt echter wel een belangrijk onderscheid in de vermaakscategorie. Dit onderscheid bestaat in eerste instantie uit vermaak als doel en in tweede instantie uit vermaak als middel om een hoger informatief doel te dienen. Vooral bij de commerciële zenders komen we veel programma’s vanuit die eerste categorie tegen. Denk maar eens aan soaps als GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN en AS THE WORLD TURNS. Maar ook programma’s als BIG BROTHER en het recentelijke DANCING WITH THE STARS vallen hier onder. Het doel is hier duidelijk amusement, zonder een dieperliggend educatief of informatief karakter. De tweede categorie zien we vaker terug bij de publieke omroep, waar programma’s als PER SECONDE WIJZER en TIEN VOOR TAAL duidelijke voorbeelden van zijn. Vermaak dient hier om het hogere informatieve doel te dienen.

Maar, zoals Paul Rutten, voormalig secretaris van de visitatiecommissie Publieke Omroep, terecht opmerkt, wie bepaalt er nu welke programma’s onder welke categorie vallen? Welke eigenschappen of kenmerken binnen een programmaformat zijn van belang bij de indeling? Kortom, wie bepaalt wanneer vermaak een doel is of een middel? Dat is een lastig vraagstuk. Ook in het WRR-rapport wordt geen duidelijke vaststaande definitie gegeven van wat vermaak nu precies inhoudt. Rutten stelt verder dat grote groepen binnen onze bevolking zaken als traditionele nieuwsvoorziening en informatieve programma’s helemaal niet interessant vinden, waaraan hij direct verbindt dat ook deze mensen programma’s op de publieke omroep moeten kunnen bekijken die zij juist wél interessant vinden. Dat is immers een publiek belang, want ook deze groepen behoren bij de Nederlandse samenleving. Dit kunnen dan programma’s zijn die in eerste instantie niet direct met de publieke omroep geassocieerd zullen worden. Hij vindt hiermee dus ook dat de publieke omroepen vermaak moeten blijven bieden, want anders zullen grote groepen binnen de samenleving genegeerd worden. Ook de SP deelt die mening. De omroepen gebruiken het argument dat men zich in veel gevallen meer laat informeren door beeldende verhalen dan door droge en informatieve teksten. Bovendien blijkt volgens Bas Heijne, journalist voor het NRC Handelsblad, dat amusementsiconen, als Ivo Niehe en Linda de Mol, op het gebied van kunst en cultuur veel meer mensen prikkelen dan de speciaal daarvoor ontwikkelde publieke programma’s. Het is in veel gevallen dus niet terecht om negatieve waardeoordelen over bepaalde programma’s te vellen. We moeten met elkaar het debat aangaan om uiteindelijk vast te kunnen stellen hoe we in de toekomst de publieke omroep willen zien.

Conclusie

Zoals gezegd is er bij de publieke omroep altijd sprake van een tweestrijd van belangen. Zij moeten hun leden bedienen, terwijl ze ook een afspiegeling moeten vormen van de gehele gemeenschap. Het blijkt dat dit niet eenvoudig is. Zeker niet nu het medialandschap zo drastisch aan het veranderen is. Een belangrijk onderdeel van die verandering, naast economische en sociaal-culturele factoren, is het aspect van de technologische ontwikkelingen, die, zeker de laatste jaren, op grote schaal plaatsvinden. Die toekomst van die ontwikkelingen zorgen voor onzekerheden in de toekomst, vooral bij het bepalen van een mediabeleid. Het is dus niet eenvoudig om een positie in te nemen in een onzekere situatie. Het kiezen van een positie is vaak gebaseerd op beschikbare voorkennis van een bepaalde situatie. Wanneer die voorkennis zich uitbreidt, door bijvoorbeeld met elkaar in debat te gaan, zullen verschuivingen binnen die ingenomen posities het gevolg zijn. Het is dus belangrijk dat alle betrokken partijen onderling het debat aangaan, om zichzelf zoveel mogelijk duidelijkheid te verschaffen.

Wat we uit het voorgaande kunnen opmaken is dat er zowel voor- als tegenstanders zijn van de bevindingen van de WRR. Er ontstaat dus een debat over hoe het nu verder zou moeten gaan. Het WRR-rapport wordt in de Tweede Kamer vooral afgewezen door partijen die de publieke omroep zouden willen laten zoals het nu is, terwijl partijen die voor vernieuwing zijn het rapport juist positief onthalen. Door het uitwisselen van meningen over het mediabeleid, zullen alle partijen nader tot elkaar komen. Op die manier kan de toekomst van de publieke omroep beter in kaart worden gebracht.
© 2007 - 2010 Johndavis, gepubliceerd in Televisie (Muziek en Film) op 14-11-2007, laatst gewijzigd op 15-11-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Johndavis is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen

Bronnen en/of referenties

  • Bardoel, Jo, Chris Vos, Frank van Vree en Huub Wijfjes. ‘Het ontstaan van een politiek-publicitair complex 1960-2002.’ Frank van Vree (red). In: Reader Nederlands Medialandschap. 2002.
  • ‘Cultuurbeleid in Nederland.’ In: Reader Medialandschap. Amsterdam, 2002.
  • Dommering, Egbert. ‘Regulering in het omroepbestel 1945-heden.’ In: Reader Medialandschap. Amsterdam, 2002.
  • Geraghty, Christine. ‘Aesthetics and quality in popular television drama.’ In: International Journal of Cultural Studies. Vol. 6 (1). Sage Publications, 2003.
  • Mulgan, Geoff. ‘Television’s Holy Grail: seven types of quality.’ In: Question of quality. Londen: British Film Institute, 1990.
  • Oudejans, Frans. KRO: Van horen en zien gesproken. Hilversum: Katholieke Radio Omroep, 1962.
  • Schaafsma, Henk. Televisie. Amsterdam: Querido, 1959.
  • ‘Amusement hoort bij de publieke omroep’. NRC/Handelsblad, 05-04-2005: Sectie opinie, pagina 7.
  • ‘Omroepen hebben publiek belang.’ Friesch Dagblad, 10-02-2005.
  • ‘Omwenteling’. NRC/Handelsblad, 26-03-2005: Sectie opinie en debat.
  • ‘Overheid, formuleer doelstellingen mediabeleid.’ De Volkskrant, 11-02-2005: Sectie forum, pagina 11.
  • ‘Reclame op zenders weren.’ De Telegraaf, 08-09-2004.
  • ‘Uur U voor omroep aangebroken.’ De Volkskrant, 01-03-2005: Sectie media.
  • ‘Vecht terug en verbeter de kwaliteit’. NRC/Handelsblad, 05-12-2005: Sectie opinie.
  • ‘Verwar mediabeleid niet met monumentenzorg.’ NRC/Handelsblad, 08-02-2005: Sectie opinie, pagina 7.
  • ‘Wat moet Nederland toch met de publieke omroep?’ Amersfoortse Courant, 03-02-2005: sectie 3, pagina 3.
  • Rapport: Focus op functies; uitdagingen voor een toekomstbestendig mediabeleid. Amsterdam University Press, Amsterdam: 2005. http://www.wrr.nl/pdfdocumenten/r71.pdf
  • Rapport: Hoefnagel, F.J.P.M. Geschiedenis van het Nederlandse inhoudelijk mediabeleid. Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid. Pallas Publications: Amsterdam, 2005. http://www.wrr.nl/pdfdocumenten/web8.pdf
  • Rapport. Nahuis, Richard, Marja Appelman, Machiel van Dijk, Ben Vollaard, Daniël Waagmeester i.o.v. Centraal Plan Bureau. Onderweg naar morgen. Een economische analyse van het digitaliserende medialandschap. Januari 2005. http://www.cpb.nl/nl/pub/cpbreeksen/document/78/doc78.pdf
  • Rapport. Vergeer-Mudde, Fenna en Vincent van der Lem. Plan Publieke Omroep. Verankering; de visie van de SP op de toekomst van de publieke omroep. Oktober 2005. http://www.sp.nl/nieuws/nwsoverz/div/SP-plan-publieke-omroep.pdf
  • Kees van Twist over de omroep in De Volkskrant: http://www.bezorgdeomroepmedewerkers.nl/toekomst.htm
  • Programma’s op de schop? http://www.kro.nl/weblog/050105_blogton.asp
  • Real Madrid TV mms://stream1.terra.es/farm/*/rmadrid.wmv
  • Evalueren met vallen en opstaan. http://www.villamedia.nl/journalist/n/kwaliteit/evalueren.shtm

Reageer op het artikel "Problemen met vermaaksprogramma's op de publieke omroep"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.